VoorpaginaAvonturen van een zwermenvanger

 

Sinds 2010 laat ik al mijn 40 volken (“ras” = hybrimax) zwermen (±10% zwermt jaarlijks niet), d.w.z. ik laat de voorzwerm afkomen en probeer die te vangen. Nazwermen heb ik bijna nooit omdat ik om de dag de volken ’s avonds met de stethoscoop beluister op tuters en kwakers. Hoor ik een tuter, dan breek ik de volgende dag de doppen en oogst tegelijkertijd wat overtollige koninginnen en die gaan met een kopje (300 ml) bijen in een kieler-bevruchtingskastje. Die koninginnen in de kielers kweek ik op tot productievolken die het volgend jaar op sterkte zijn zodra de acacia bloeit zonder dat ik de kielervolkjes versterk met bijen uit andere volken. Varroabestrijding van de productievolken doe ik slechts één keer rond 1 augustus met apilifevar. De kieler-volkjes behandel ik niet tegen de varroa. Het gebruikte kasttype is Dadant-Blatt, u kent ze wel, die grote ramen met de kleine oortjes. Plaats van handeling: Frankrijk, de Morvan. Dit is in een paar schetsen mijn bedrijfsmethode.

Bovenstaande methode bevalt me uitstekend. De volken zijn vitaal, in juni heb ik altijd heel veel zwermcelkoninginnen achter de hand en de honingopbrengst is in een goed jaar meer dan 45 kg per productievolk. Geen vuiltje aan de lucht, lijkt het.

Het grote nadeel van laten zwermen is dat je vele zwermen niet gaat vangen en dat is geen prettig idee. Het komt bij mij vaak voor dat de voorzwermen een hangplek uitkiezen op 10 meter of hoger in een boom. Kortom, van de voorzwermen die vertrekken vang ik maar ongeveer de helft en de andere helft vertrekt met een ongewisse bestemming. Dat moet beter kunnen.

In 2012 werd het idee geboren om zwermen te vangen met zwermkisten, zoals in de VS gedaan wordt. In de winter 2012/2013 heb ik een zwermkist ontworpen en gebouwd. Het werd een 6-raams Dadant-Blatt-kastje, raamafstand 35 mm h.o.h., volume 35 liter. Dat volume werd bereikt door onder de ramen nog wat vrije ruimte te houden. De kast werd van binnen voor de helft behandeld met propolistinctuur en de andere helft werd ingesmeerd met “eau de cire”, dat is een waterige bruine “beits”, die bereid wordt door de bruine drab (vervellingen, propolis, stuifmeel) die na het smelten van zwarte broedkamerramen achterblijft met een weinig water te koken en daarna filtreren (foto 1). Het filtraat is een bruine vloeistof die de Fransen “eau de cire” (letterlijk water van was) noemen (foto 2). In de zwermkisten plaats ik verder een open pipetje met een lokstof (lemongrass oil), 3 oude zwarte broedkamerramen en 3 ramen met kunstraat. De 12 zwermkisten werden rond 15 april geplaatst en liefst zo hoog mogelijk opgehangen (foto 3 en 4).

Het resultaat van de zwermkist 1.0 was goed, in meer de helft van de opgehangen zwermkisten ving ik zwermen. Opvallend was dat ik op eigen terrein (2 ha) een slechter resultaat boekte dan elders (bij vrienden en kennissen), terwijl de zwermdichtheid bij mij thuis heel veel groter was en is. De zwermen die ik thuis ving met de zwermkist bleven vaak een groot deel buiten de kast hangen, ze waren gewoon te groot voor de zwermkist. Misschien was de zwermkist (1.0) toch een beetje te krap bemeten. Gelukkig compenseerde ik het verlies van de thuis-zwermen met zwermen die ik elders ving.

In 2017 las Ik een beknopte samenvatting van het boek “honeybee democracy” van Thomas D. Seeley en daarin werd gesteld dat een ideale zwermkist een volume heeft van 40 liter. Tijd om zwermkist 2.0 te ontwerpen met een volume van 40 liter. In de winter 2017/2018 werden 20 zwermkisten gebouwd, 7-raams Dadantblatt, raamafstand 35 mm h.o.h. en een volume van 41 liter (foto 5 en 6). De vangst van zwermen viel in 2018 wat tegen, er was nogal wat sterfte in Frankrijk door de zachte winter en een korte scherpe koude periode aan het einde van de winter. Er waren in “the wild” veel minder zwermen dan andere jaren. Zelf had ik toen een sterfte van 10% en dus ook wat minder zwermen. Toch viel ook dit jaar op dat ik thuis weer minder zwermen ving dan elders, met deze grotere kast. Dat bleef aan me knagen, meden de eigen zwermen mijn zwermkisten? Hoe kan het mogelijk zijn?

Begin mei 2019 sprak ik daar met een collega-imker over en hij meldde me dat hij uitsluitend nazwermen ving met zijn zwermkisten. Toen viel bij mij het kwartje, ik had geen nazwermen (dankzij de stethoscoop), alleen maar voorzwermen. Was de zwermkist van 40 liter alleen maar aantrekkelijk voor nazwermen en niet voor die grote voorzwermen? Waren alle zwermen die ik elders ving nazwermen ? Dat heb ik nooit gecontroleerd, want in mei ben ik daarvoor veel te druk, maar ik houd het wel voor mogelijk. Mijn conclusie: zwermkist 2.0 was voor voorzwermen ook te klein. Ik had dit natuurlijk al veel eerder kunnen weten, want als er bij mij thuis een joekel van een voorzwerm in de heg hangt, pak ik automatisch een cementkuip en een Dadant 10-ramer uit de schuur. De Dadant 10-ramer is dan nog vaak aan de krappe kant, maar na enkele dagen past de gevangen zwerm al weer beter in de 10-ramer, er vliegen na de vangst toch altijd wel heel wat bijen terug naar de oorspronkelijke kast.

Het wordt dus tijd voor voorzwermkist 3.0. Daarvoor kan ik gewoon de oudste Dadant-Blatt 10-raams broedkamers (49 liter) nemen, lokstofje er in en gaan met die banaan. Dat is dan iets voor volgend jaar want nu heb ik alle oude broedkamers in gebruik.

Tot slot nog wat vragen, opmerkingen en een opendeurtje:

  1. Het lijkt erop dat speurbijen “weet” hebben van de grootte van de eigen zwerm en op zoek gaan naar een passende huisvesting. Uiteraard worden er daarbij wel eens vergissingen gemaakt en raakt de zwerm te klein behuisd. Te groot behuisd is in mei eigenlijk nooit een probleem, de zwerm zal nog stevig kunnen groeien.
  2. Wil je ook voorzwermen vangen met zwermkisten, bouw ze met een volume van minimaal 50 liter.
  3. Maak de vlieggaten rond, dan kunnen de ingevlogen zwermen zich veel beter verdedigen tegen wespen en de Aziatische hoornaar.
  4. Hoe hoger je de zwermkist ophangt, des aantrekkelijker voor zwermen, wordt beweerd. Wat me daarbij wel is opgevallen, is dat de ronde vlieggaten de zwermkist ook voor vogels aantrekkelijk maakt. Al enkele keren heb ik meegemaakt dat ik een zwerm uit de zwermkist overhing en onderin de zwermkist een verlaten vogelnest met eitjes aantrof. In het ronde vlieggat zit nu een spijltje.
  5. In de kisten waar ik geen zwermen ving, zaten bijna altijd nestjes van hoornaars.
  6. Zou Thomas D. Seeley alleen met nazwermen geëxperimenteerd hebben? Die kun je veel beter plannen, maar zijn wel veel kleiner.
  7. Eigenlijk is er niets mooier dan zwermen vangen, het inlopen van de zwerm is daarbij werkelijk de top. Jammer dat niet veel meer mensen daarvan getuige zijn.
  8. Zwermen verliezen de herinnering aan de oude huisvesting als ze een andere kast hebben gevonden. Dat valt alom te lezen, maar in de praktijk valt het me op dat een grote zwerm die krap in een 10-ramer past na enkele dagen gemakkelijk in een 7-ramer kan.
  9. Zwermen die ontsnappen eindigen vaak achter de luiken, in schoorstenen of in holle bomen. De holle bomen zijn schaars en meestal al in bezit genomen door een bijenvolk. Veel ontsnapte zwermen zullen dakloos een triest einde tegemoet gaan.
  10. Het is me opgevallen dat voorzwermen na vangst doorgaans makkelijker de kast inlopen dan nazwermen. Het zal komen doordat er meerdere koninginnen in nazwermen kunnen zitten.
  11. Kielervolkjes opkweken tot productievolken (voor het jaar daarop) vanuit 300 ml bijen lukt als je daarmee vroeg begint. Na 1 juni stop ik daarmee. Het is wel zaak om de volkjes in de kielers bij tijds ruimte te geven. De kleine volkjes zwermen bij ruimtegebrek makkelijk uit de kielers. Ik geef de kielervolkjes al een opzetrandje voordat het eerste broed uitloopt.
  12. Heb je ’s avonds tegen de schemering een uitruk om een zwerm te vangen, dan zou ik die zwerm pas de volgende ochtend vroeg gaan scheppen. Gaat er iets mis in de schemering, dan sta je daar met je zaklantaarntje in het donker te klungelen. Nee, klungelen kun je beter doen als het licht is.
  13. Om zwermen te vangen moeten ze er wel zijn.

Goede vangst.

 

Hanz Knegjens / Apiculteur

 

 

 

Wilg: Salix  aegyptiaca

Foto: Roger de Vos

Nadat het laatste ijs van de ijstijd verdwenen was (±10.000 jaar geleden) kwamen de eerste pioniers van uit het zuidoosten de toendra weer bevolken. Wilg, els, berk en hazelaar trokken langzaam noord waards. De wilg had hiermee minste moeite. De zaadpluisjes worden gemakkelijk door de wind kilometers verspreid. Toen de toendra eenmaal groen geworden was en in de voorjaren en zomers de nachten boven het nul punt bleven, was het nu de beurt aan de insecten die van uit het zuidoosten zich langzamerhand gingen vestigen. De honingbij zal als laatste hier in de lage landen aankomen. Er was nog geen huis-vesting.

Voor grote holle bomen is tijd nodig. Wilg, els en berk leveren geen grote holle stammen op. Stel je dat eens voor eik en beuk moeten vanuit het zuidoosten hier naar toe emigreren. Dit zal door everzwijnen zijn gedaan. Het zijn de grote verslinders van deze vruchten. De paarden kastanje werd pas 2000 jaar geleden vanuit Italië door de Romeinen naar het noorden meegenomen. Waarschijnlijk ook de linde.

 

IJstijden in Nederland

Tijdens de laatste ijstijd het Pleistoceen (1,8 miljoen jaar geleden tot 10.000 jaar geleden) werd Nederland tweemaal gedeeltelijk door landijs overdekt. Dat gebeurde tijdens het Elsterien en het Saalien. Het landijs rukte in het Saalien vanuit het noorden op en vervormde daarmee het landschap grondig. Het landijs kwam tot de lijn Haarlem-Nijmegen. Delen van de stuwwallen die daarvan het gevolg waren zijn nog steeds aanwezig. De heuvels in de omgeving van Nijmegen of op de Veluwe zijn hier voorbeelden van. Ook in het Drentse landschap zijn overal littekens aanwezig. De karakteristieke hunebedden zijn gebouwd met stenen die tijdens de ijstijden werden aangevoerd.

 Meer lezen over ijstijden, klik  

Foto: Bertus Wieringa.

De Reuzenbalsemien

 

Tekst: Hennie Oude Essink, uit Bijenhouden Nov. 2006

Het geslacht Impatiens bestrijkt nagenoeg de gehele Balsemienfamilie (Balsaminaceën); 500 soorten komen vooral in de warmere streken voor.

Bij ons zijn vooral het Groot Springzaad, het Klein Springzaad en de Reuzenbalsemien bekend. Het Groot Springzaad (Impatiens noli-tangere L.) is inheems in Europa; deze plant wordt 60 cm hoog; heeft goudgele bloemen met rode vlekken en groeit vooral in natte loofbossen, in grienden en langs stromend water.

 

Het Klein Springzaad (Impatiens parviffora) met haar kleine, bleekgele bloemen zonder vlekken is door import in de Nederlandse flora terecht gekomen, evenals de Reuzenbalsemien.

 

De Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera Royle) werd in 1839 door Royle als sierplant uit N.India en de aangrenzende Himalaya naar de Kew Gardens in Engeland gebracht en vandaar naar het Europese vasteland. Hij siert sindsdien vele tuinen, kent allerlei cultivars en heeft na verwildering grote kolonies op oevers van rivieren en beken en in moerassige streken in geheel Europa.

Het is een éénjarige plant, die na de vorst, in het vroege voorjaar ontkiemt op een natte bodem. Daarna komt al spoedig, op een zeer ondiep wortelstelsel, de dikke, waterige groeistengel omhoog, die een hoogte van 2 a 2.5 meter bereikt. De bladeren hebben een scherp gezaagde rand. Waar de bladvoet aan de stengel ontspruit, verschijnen opzichtige extraflorale nectariën: forse knotsen waarop rode klieren suikersappen afscheiden; vandaar de naam: 'glandulifera' = 'klierdragend'. 

 

De bloemen hebben een doorsnee van bijna 3 cm. en komen in trossen aan de zijtakken bovenin de plant. Zij verspreiden een zoete geur. De bloei duurt drie volle maanden van juli tot september. Na de eerste vorst verwelkt de plant.

De bloem laat zich het beste vergelijken met een ruim geopende mond waarvan de opening wordt gevormd door de 5-tallige kroon: het bovenste brede kroonblad - de vlag - vormt de bovenlip; de vier kroonblaadjes daaronder zijn twee aan twee vergroeid en vormen aan weerszijden de wang en dan samen de tweeledige, brede onderlip, die als landingsplaats dient voor bestuivende insecten. Klik deze tekst aan of kijk op het forum in de rubriek: Dracht.

 

Foto: het web.

 

Tekst: Franschman.

Bijenraat, wie bouwt het na??

 

Een vliegtuig moet kunnen vliegen, een boot moet kunnen varen en een bouwwerk moet blijven staan.

Het lijkt er sterk op dat de mens voor zijn technische hoogstandjes zo nu en dan eens bij de dieren heeft gekeken. Vogels en vliegtuigen hebben veel gemeen en ook een scheepsromp heef wel wat weg van het gestroomlijnde lichaam van een vis. 

 

Ook de bijenraat lijkt de mens te hebben geïnspireerd bij veel verschillende technische toepassingen. Ook dit jaar 2014, konden imkers, die gekluisterd waren aan de buis om naar de wedstrijden om het wereldkampioenschap voetbal te kijken zien, dat zo nu en dan een bal verdween in een doel, dat omzoomd werd door een net met zeshoekige mazen.

Weinig imkers zullen weten dat bij de inrichting van de Noordoostpolder gebruik is gemaakt van de zeshoekige structuur, die de bijen al sinds mensenheugenis gebruiken. 

 

De Duitse econoom Christaller (1893-1969) ontwikkelde een theorie om de spreiding van voorzieningen in de ruimte te verklaren en te plannen. De Noordoostpolder bleek een ideale proeftuin om de spreiding van dorpen met hun voorzieningen zoals bakkers, kledingwinkels, kruideniers , kerken enz. uit te proberen.  

 

De theorie van Christaller (1933) maakt gebruik van de ons zo bekende raatstructuur waarvan de zeshoekige 'cel' het gebied aangeeft waarbinnen klanten naar een voorziening gaan. Het netwerk van zeshoeken kent verschillende grootten die exact op elkaar passen! (Zie afbeelding) De grote cellen geven het verzorgingsgebied aan waar niet alledaagse zaken te verkrijgen zijn. Zo zal een bakker genoeg hebben aan de klanten die zich bevinden in een kleine cel, ze maken dagelijks gebruik van zijn voorziening, een gespecialiseerde winkel zal een groter verzorgingsgebied dus een grotere raatcel nodig hebben om voldoende klanten te kunnen krijgen.

 

Bij de inrichting van de Noordoostpolder werden de dorpen zo gepland dat een prettige spreiding van voorzieningen mogelijk werd. Later bleek toegepaste systeem te worden gestoord  door de verbeterde vervoersmiddelen zoals de brommer terwijl men bij de aanleg was uitgegaan van beperkte vervoersmogelijkheden zoals de fiets! Helaas kon het theoretisch systeem geen rekening houden met 'gezellig winkelen' waardoor mensen toch naar andere kernen trokken

 

Ook in bouwconstructies van koepels zien we de raatstructuur terug. Ook menselijke ingenieurs hebben ingezien, berekend en geconstateerd dat de hexagonale structuur bij een minimum aan materiaal en ruimte, een ideale stijfheid, belastbaarheid en degelijkheid in de constructie oplevert. 

 

Tanks van raceauto's zijn opgevuld met een raatvormig doorlatend materiaal om geklots van de brandstof en brandgevaar zelf te verminderen. Sta er eens bij stil dat je de kippen in een kippenren bekijkt door een zeshoekig maaswerk !! Fransen duiden hun land wel aan als 'Hexagone' want met enige fantasie kan je wel de zeshoekige raatvorm in de contouren van Frankrijk ontdekken !

 

Het is elke keer weer een wonder om te zien hoe bijen, met hun zelf gefabriceerde grondstof was, in het donker zo'n mooie efficiënte raatconstructie maken. Daar kan de mens nog steeds niet tegenop.

 

  Tekst: “Franschman”, Foto: Hans vd Post.

Solidago.......Drachtplant met Code geel ! ! 

Het aanbod van nectar en stuifmeel is in de nazomer afgenomen.

De bijen zullen naarstig zoeken naar overgebleven, soms schaars geworden voedselbronnen.

 

De Gulden roede ( Solidago) is een plant die de bijen een late drachtbron biedt. Hij bloeit van juli tot de herfst met gele bloemhoofdjes die de structuur hebben van een honingraat (!) en bestaan uit een lint van buisbloemen. Met zijn gele pluimen, gevat op lange stelen, lijkt de plant in de tuin een signaal af te geven. Hier moet je zijn !!!!

 

Naast bijen heeft de Solidago, waarvan verschillende vormen voorkomen, de interesse weten te wekken uit onverwachte hoek. Thomas Edison de Amerikaanse uitvinder, vooral bekend geworden door de uitvinding van de gloeilamp, heeft getracht uit de Gulden Roede, rubber te produceren. Het project liep echter niet op wieltjes en het productieproces bleek toch commercieel niet haalbaar.

 

De naam 'Gulden Roede ' betekent in het oud Nederlands, Gouden staf, een naam die de plant eer aan doet door zijn lange stelen van soms wel een meter lang, waar de mooie gele pluim, de bloeiwijze, zich op bevindt. 

 

De wetenschappelijke naam Solidago is afgeleid van solidus= stevig en ago= maken. Anderen menen dat de naam te danken is aan de gouden remedie die de plant met zijn geneeskrachtige mogelijkheden zou bieden. Solidago wordt gebruikt om klachten van de urinewegen te bestrijden en zo de vochtafvoer 'stevig' te maken. Nierpatiënten zouden er baat bij hebben. Thee gezet van het fijngemalen kruid zou zo heilzaam kunnen werken.

 

De wens is de vader van de gedachte”, en zo moet het voorkomen van de plant kunnen wijzen op een verborgen schat!

 

Helaas heeft de Solidago ook een minder fraaie kanten. Deze winterharde, overblijvende plant is een echte woekeraar in de tuin. Met zijn lange kruipende wortels of rhyzomen weet hij andere planten te verdrijven. De grond wordt door de plant uitgeput en het gewas lijkt zich soms door zijn ongeremde groei, als een onkruid te gedragen.  

In tuincentra zijn verschillende vormen van de Solidago te koop en ook stekken van de plant is kinderlijk eenvoudig. Leg enkele wortelstokken in de grond en spoedig gaat de plant van start.

 

Voor bijen, imkers en tuinliefhebbers geldt Code geel. Hou deze tomeloze woekeraar goed in de gaten !!

 

Imkers in Canada weten van de Canadese variant, de Solidago canadensis, een zogenaamde monoflorale honing te oogsten, Solidago honing dus, die qua smaak het midden houdt tussen boekweit- en klaverhoning. Franse imkers daarentegen zijn niet echt blij met deze Canadese variant, die als een invasieve soort, een exoot dus, steeds meer in de inheemse Franse flora begint voor te komen en zo een bedreiging vormt voor de bestaande, biologische variatie. 

Subcategorieën